Voor een pandemie uitbreekt onder de menselijke bevolking, passeert een griepvirus eerst via een aantal diersoorten. Dit noemt men een epizoötie en mensen lopen maar een zeer miniem risico om besmet te raken met zo’n virus.
In het algemeen tast zo’n epizoötie dieren aan en pluimveestapels in het bijzonder. Omdat ze voortdurend dichtbij hun vogels verblijven, zijn pluimveefokkers dus de enige mensen die worden blootgesteld en besmetting verloopt dan nog via de spijsvertering en niet via de luchtwegen.
Indien dit samenvalt met een menselijke epidemie van seizoensgriep, dan kunnen de twee virale stammen (dierlijk en menselijk) door hun nabijheid een nieuw virus creëren via de herschikking van hun genetisch materiaal. Dit is uitzonderlijk maar statistisch gezien komt het elke eeuw toch drie tot vier keer voor. In dergelijke gevallen, en rekening houdend met het nieuwe karakter van dit voor de mens zeer besmettelijke virus, zijn de gevolgen in termen van ziekte- en sterftecijfer zeer ernstig.
Samenvattend kunnen we zeggen dat een pandemie kan uitbreken wanneer de volgende voorwaarden zijn vervuld:
- een nieuw subtype van het griepvirus ontstaat;
- het besmet mensen en
- het verspreidt zich effectief en langdurig van mens tot mens.
Alle noodzakelijke voorwaarden voor een pandemie van de H5N1 virusstam zijn dus vervuld, op één uitzondering na: efficiënte en langdurige intermenselijke overdracht van dit virus. Het risico dat het H5N1 virus deze capaciteit verwerft, blijft bestaan zolang de gelegenheid op menselijke besmetting zich voordoet. Deze gelegenheden, op hun beurt, zullen zich blijven voordoen zolang het virus aanwezig blijft in vogels – een situatie die nog een aantal jaar zou kunnen aanslepen.
Het virus beschikt in hoofdzaak over twee mechanismen om zijn intermenselijke overdraagbaarheid te verhogen. Het eerste mechanisme is een ”reassortment”, waarbij het menselijke virus en het vogelgriepvirus genetisch materiaal uitwisselen bij een gelijktijdige besmetting van een mens of een varken. Reassortment kan leiden tot het ontstaan van een volledig overdraagbaar pandemisch virus, wat tot uiting komt in een plotse toename in het aantal gevallen en een explosieve verspreiding van dat nieuwe virus.
Het tweede mechanisme is het meer geleidelijke proces van “adaptatieve mutatie”, waarbij het vermogen van het virus om zich te binden aan menselijke cellen verhoogt tijdens opeenvolgende besmettingen van mensen. Bij adaptatieve mutatie, dat aanvankelijk tot uiting komt in kleine concentraties van menselijke gevallen met een bewezen graad van intermenselijke overdracht, zou de wereld waarschijnlijk wat tijd hebben om beschermende maatregelen te nemen.
Bronnen: Wereldgezondheidsorganistaie (WHO)
en Dr. Olivier Cha, Medisch directeur, Mondial Assistance France, november 2005